De Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar heeft Femke Halsema op de vingers getikt. De burgemeester van Amsterdam zei dat ze spijt had het woord ‘pogrom’ gebruikt te hebben omdat dit ook door de Israëlische regering en ‘rechtse’ Nederlandse politici gehanteerd wordt. Sa’ar verbaast zich erover dat Halsema bepaalde woorden alleen gebruikt wanneer zij dat politiek wenselijk acht en maakt zich zorgen dat de affaire in de doofpot gestopt wordt.
“De verklaring van de burgemeester van Amsterdam is volkomen onaanvaardbaar,” vindt Sa’ar. “Het falen [van Amsterdam, red.] die nacht moet niet nog erger gemaakt woorden door nog een ernstig falen: een doofpot.” Het was Halsema zelf die het woord ‘pogrom’ gebruikte om de gebeurtenissen van de nacht van 7 op 8 november te beschrijven. Nu de burgemeester echter weet dat zij kan rekenen op de steun van de linkse, extreemlinkse en islamitische meerderheid in de gemeenteraad, slikt zij het woord weer in. Van Dale definieert een pogrom als een ‘heftige, plotseling optredende vervolging van een minderheid, met name van Joden’. Welk element hiervan Halsema nu opeens niet meer van toepassing vindt, is onduidelijk.
Dat past in het veranderen van het discours waarin linkse politici proberen rollen van daders en slachtoffers om te draaien, daarin gesteund door kranten als NRC, Trouw en de Volkskrant, alsmede door verschillende omroepen in Hilversum. Door net te doen of het geweld van met name Marokkaanse antisemieten uitgelokt zou zijn door Israëlische voetbalsupporters, wordt weer geprobeerd Joden verantwoordelijk te maken voor het geweld dat hen wordt aangedaan. Historici, maar ook politici als VVD-leider Dilan Yesilgöz wijzen erop dat dit een automatisme is waarmee antisemitisme al eeuwenlang wordt gelegitimeerd.
Halsema’s politieke draai onder druk van linkse en islamitische politici en mediapersonages is de zoveelste in het snel groeiende Amsterdamse antisemitismedossier
Gideon Sa’ar laat geen misverstanden erover bestaan dat het wel degelijk over een pogrom gaat in Amsterdam, iets wat Halsema dus eerder zelf ook vond. “Honderden Israëlische fans die waren gekomen om voetbal te kijken, werden achtervolgd en aangevallen, waren het doelwit van een meute die hun paspoorten eisten te zien om te controleren of zij burgers van de Joodse staat waren. Daar is geen ander woord voor dan pogrom.”
“Het gebruik van de term pogrom was geen Israëlisch verzinsel,” meent Sa’ar. “Het werd gebruikt door Nederlandse politici die de ernst en de antisemitische aard van het incident erkenden.” Dat deed Halsema aanvankelijk dus ook. Haar politieke draai onder druk van linkse en islamitische politici en mediapersonages is de zoveelste in het snel groeiende Amsterdamse antisemitismedossier. Ook bij de opening van het Holocaustmuseum leek zij aanvankelijk op de hand van de Joodse slachtoffers van het antisemitische verbale geweld van anti-Israëldemonstranten. Daarna deed zij echter alsof er nauwelijks iets gebeurd was, hoewel inzage in haar communicatie die dag aantoonde dat haar latere uitspraken onwaar waren.